Met de ogen wijd open,
nog wat verblindt door de nacht,
gaan we hand in hand en hopen
op een nieuw licht dat ons wacht.

Soms dragen we ons verleden
van verdriet of angst of spijt,
we leven angstig in het heden
en zo raken we verstrikt in de tijd.

Maar we verruilen de maan en sterren
voor de zon, de bomen en de wind,
we gaan op pad tot in den verre,
onbevangen kijkend met de ogen van een kind.