Vandaag herinnert deken-pastoor Eugène Jongerden ons eraan dat het op 24 juni de geboortedag -en dus de feestdag- is van Johannes de Doper.

Maar wie was nu precies die bijzondere man, waarvan over het algemeen het beeld van de sprinkhanen-etende man in de woestijn resteert?

Volgens de beschrijvingen uit het Nieuwe Testament was hij de zoon van Zacharias en Elisabet; hij: een priester, zij: nicht van Maria, moeder van Jezus, maar beiden in ieder geval normaal gesproken te oud om nog kinderen te kunnen krijgen, totdat een engel hen bezoekt en vertelt dat zij een zoon zulen krijgen, die ze ‘Johannes’ moeten noemen. En zo geschiedde.

Over Johannes staat verder geschreven dat hij een tijd in de woestijn had doorgebracht en dat hij sprinkhanen en wilde honing at om in leven te blijven. Hij was gekleed in een mantel van kameelhaar, met een leren riem daaromheen. Johannes werd ‘de doper’ genoemd, omdat hij mensen doopte in de rivier de Jordaan. Mensen die hun zonden hadden beleden en zich bekeerd hadden. Johannes had veel van dit soort vogelingen en een aantal ervan werd naderhand ook leerling van Jezus. Johannes de Doper werd uiteindelijk gevangengenomen en onthoofd in opdracht van Herodes Antipas, de vazal van de Romeinen voor Galilea en Perea.

Niet alleen de evangelisten uit de Bijbel, maar ook de Romeins Joodse historicus Flavius Josephus schreef uitvoerig over Johannes als profeet. Blijkbaar was Johannes in zijn tijd een man van aanzien. ‘Johannes was een goed man. Hij riep de Joden op om deugdzaam te leven: tegenover elkaar gerechtigheid te betrachten en eerbied te hebben voor God. Hij riep hen ook op om zich door hem te laten dopen. Het eerste diende vooraf te gaan aan het tweede, want alleen dan was het dopen welgevallig in de ogen van God. De doop diende niet om zich te bevrijden van zonden, maar was een manier om het lichaam ritueel te reinigen nadat ze eerder hun ziel gereinigd hadden door te leven in gerechtigheid.’ (Flavius Josephus, De oude geschiedenis van de Joden, einde 1e eeuw na Christus, Boek 18, Hoofdstuk 5, 2, 116 – 117).

Maar hoe men Johannes ook zag: hijzelf zag zich als de mindere ten opzichte van Jezus, en zijn werk om mensen te dopen was om de komst van Jezus voor te bereiden, die vervolgens hem doopte, Of, zoals Johannes het zelf verwoordde: ‘Hij moet steeds meer worden en ik steeds minder’.

Michel van der Plas schreef dit gedicht over Johannes:

‘De stem van Johannes’

Ik stap met mijn stem in uw tijd,
ik breng u de boodschap van God:
de komst van gerechtigheid,
het uur van het grote gebod.

Ik kondig hem onder u aan:
de liefde in vlees en bloed,
ik maak in de heuvels vrij baan,
ik effen de grond voor zijn voet.

Ik ben maar een ogenblik,
maar straks slaat zijn eeuwige uur:
straks zal er een sterker dan ik
u dopen met water en vuur.

Staat op, mensenbroeders, en hoort:
hij komt met zijn heilige Geest,
de vrijheid, de waarheid, het woord,
dat zuivert en redt en geneest.

Hij is het die komen moet,
de grote gerechtigheid,
de liefde in vlees en bloed,
de geest van de nieuwe tijd.