Overweging zondag 24 januari 2021 – door deken-pastoor Jongerden

We hebben in de eerste lezing het verhaal gehoord van de profeet Jona. Profeten zijn woordvoerders namens God. Gods Woord voert Jona dus naar Ninive. De stad is zo groot als een wereldstad. Er is dus veel ruimte voor verscheidenheid van mensen maar mogelijk geen plaats voor God en zijn profeet. Want de stad is heidens. Ninive is de stad van de mensen en hun vele, eigen goden. Wat heeft die andere God, de ene, zich in te laten met deze stedelingen die zijn Naam niet eens kennen, laat staan eren? Zou de God van Jona zich niet beter kunnen inlaten met het eigen huishouden? De ontrouw van Gods uitverkoren volk is immers even zorgelijk dan het ongeloof van de Ninivieten.

Ook vandaag de dag voert het woord van God mensen naar plaatsen waar God niet veel ruimte wordt geboden. God plaatst ons in de tegenstroom van dichtgetimmerde meningen die overtuigd zijn van de nonsens van Gods bestaan. Die meningen hebben hun bestaansreden van persoonlijke ervaringen met gelovigen, tot histories uit het verleden, die God en gelovigen verwijtend blijven achtervolgen. Maar zelfs in die tegenstroom is bekering niet onmogelijk. Bekering is overal mogelijk.

De woorden die God Jona in de mond legt voorspellen onheil over de stad. Wie aanvaardt zomaar onheil? Onmogelijk! En toch. De weinig blijde boodschap van de profeet schudt de stad wakker: het mag niet tot onheil komen. Daarom nemen de Ninivieten afstand van hun oude en foute gewoonten. Ze vasten. Zo keren ze zich naar een nieuw en ander leven.

Ook in onze wereld is onheil aanwezig: het klimaat, armoede, de pandemie. Het zijn onderwerpen, gebeurtenissen die ons wakker schudden. Immers door de pandemie ziet ons leven er opeens heel anders uit, met veel gevolgen. We worden uitgedaagd om de dingen anders aan te pakken. Geen eenvoudige opdracht voor ons; het vraagt om moed en doorzettingsvermogen. We moeten er met elkaar het beste van zien te maken en vol te houden. Daarin hebben wij elkaar zo nodig.

Het evangelie van vandaag is een roepingverhaal. Dit valt op door de onmiddellijkheid. Het lijkt alsof besef van tijd aan dit gebeuren ontsnapt: vissers laten hun netten meteen achter en de zonen van Zebedeus worden onmiddellijk door Jezus geroepen.

Ook de berichten uit de eerste geloofsgemeenschappen in Christus’ naam laten vermoeden dat geloof door de tijd wordt ingehaald: de tijd is kort geworden. Er moet gehandeld worden, wij gaan direct in op de roepstem van de Heer. Het komt een beetje impulsief op ons over.

Hoe doet het geloof ons omgaan met de tijd? In Galilea riep Jezus de vissers weg van hun boten en netten om vissers van mensen te worden. Zo sprak Jezus hen aan op hun bezigheden, mogelijk ook hun talenten en vaardigheden, maar gaf er wel een nieuwe betekenis aan.

Vandaag roept Jezus ons weg van onze verplichtingen en roept ons op om geen tijd te verliezen aan wat voorbijgaat. Hij keert onze tijd naar het rijk van God. Hij zet ons aan om, met een groot geloof in die blijde boodschap, tijd door te brengen met mensen. Veel mensen zijn arm, ziek, eenzaam, lijden in stilte.

Laten we deze mensen onze tijd geven door bijvoorbeeld eens een extra telefoontje te doen. Wat we geven van onze tijd aan hen, daarmee brengen ook wij een stukje van het Rijk Gods dichterbij. En dat is toch geen verloren tijd?


Amen