Het Woord Voorop - Dorothée van Leer-Wassenburg

Hij was goed geslaagd in het leven… Van eenvoudige kom-af, met als enige erfenis van zijn ouders een stel goed hersens, had het hij na jarenlang keihard studeren, geschopt tot oogarts. In een stadswijk waar Jan Modaal weinig te zoeken had, had hij een stukje grond gekocht en daarop een fraai huis laten bouwen.

Nee, hij had niets te klagen, maar hij deed het wel. Vooral over zijn ouders. Beste mensen, daar niet van, maar ook zo eenvoudig, en zo godgeklaagd gelovig. Goedgelovig noemde hij het liever. Altijd tevreden, nooit iets vragen voor zichzelf. Als hij hen vroeg wat ze voor hun verjaardag, voor kerst of voor hun trouwdag wilden hebben, antwoordden ze steevast: “We zouden het niet weten, we hebben alles al”

De laatste keer echter hadden ze zowaar wel een wens gehad: of hij hen naar de Paasavondviering in de kerk zou willen brengen. Pa zijn ogen werden slechter en hij durfde niet meer zo goed te rijden in het donker. Hij had gesputterd. Wat moest hij dan in de tussentijd doen? Misschien kun je meegaan, had zijn moeder rustig gezegd… Hij had hard gelachen, cynisch…. Ja hoor…meegaan… zonde van zijn kostbare tijd.

En hij had aangeboden een taxi voor hen te bestellen, hij zou het met liefde voor hen betalen, maar zijn altijd zo rustige bescheiden ouders hadden deze keer hun zin doorgedrukt en dus ging hij – onder zwaar protest – met hen mee die avond, vastbesloten zich compleet af te sluiten voor alles wat daar gezegd, gezongen of gebeden werd. Opstaan uit de dood, ja hoor… nieuw leven… haha… geloof je het zelf? 

Toch werd hij geraakt, zo nu en dan. De liederen, het kaarslicht, de rust, maar vooral de glans op de gezichten van zijn ouders. Zo rustig, zo sereen zaten ze naast hem. Hoe lang was het geleden dat hij zomaar een uur in stilte tussen hen in had gezeten… En in een vreemde opwelling van liefde pakte hij de hand van zijn ouders. 

Die avond vertelden zijn ouders dat de slechtziendheid van zijn vader werd veroorzaakt door een hersentumor, en dat daar hij binnen afzienbare tijd aan zou sterven. Hij was in paniek geraakt… Zijn vader zou niet sterven, mocht niet sterven… Hij had gezegd dat er heus nog wel van alles aan te doen was…  Hij zou met een collega van het ziekenhuis gaan praten, een knappe hersenchirurg die alles wist van hersentumoren.

Maar zijn vader had zich er al bij neergelegd. Zijn leven was voltooid, het was goed zo… Zijn moeder had verdriet, maar geloofde oprecht dat zij en haar man slechts tijdelijk gescheiden zouden worden. Hij had iets van jaloezie gevoeld…waarom kon hij niet geloven? Hij was een wetenschapper, geloofde alleen in bewijzen.

Precies zes weken na Pasen overleed zijn vader. Tijdens de uitvaartplechtigheid in de kerk werd het verhaal over de opstanding voorgelezen, hetzelfde verhaal dat in de Paasviering was voorgelezen. En even, heel even voelde hij niet alleen zijn moeders hand, maar ook de hand van zijn vader in de zijne… Net zo warm en stevig en levensecht als in de Paasnacht. En in gedachten sprak hij een dankgebed uit naar een God in wie hij even durfde te geloven…

                                                    Dorothée van Leer-Wassenburg