• door: Els Rentenaar

Het is vandaag Sacramentsdag. Omdat dit in 1264 door paus Urbanus VI als officiële feestdag was ingesteld, is het een mooie gelegenheid om deze bijzondere dag niet onbesproken te laten. Sacramentsdag wordt ook wel het ‘Hoogfeest van het Allerheiligst Sacrament’ genoemd, ofwel het sacrament van de eucharistie: het delen in het Brood en de Wijn, Lichaam en Bloed van Jezus Christus. Geen gemakkelijke kost, en ook lastig te verteren, zelfs al in Jezus’ tijd als we de Bijbel erop nalezen.  

Symbooltaal: wat zegt het?

De Bijbel spreekt vaak in tekenen, in symbolen. Vooral de apostel Johannes had er een handje van om zijn boodschap in nogal cryptische bewoordingen te schrijven. Hij deinst er niet voor terug om Jezus in verschillende metaforen aan ons aan te bieden: als de wijnstok, de weg, de goede herder, de deur, het licht … In deze periode lezen we volgens het liturgisch rooster juist een aantal weken achter elkaar uit Johannes, en de vergelijking met brood komt daarin regelmatig voorbij.  

Die symbooltaal is lastig, maar gebruiken wij dat in deze tijd niet evengoed? Als we zeggen dat iemand ergens zijn brood mee verdient, of als iets ons brood op de plank bezorgt, dan bedoelen we daar méér mee dan onze dagelijkse boterhammetjes. Dan verwijzen we daarmee indirect naar ons huis, onze auto, ons tuintje en noem maar op. Zelfs als je dat allemaal in overvloed bezit, dan geeft dat nog geen zekerheid dat je ook gelukkig bent. Materieel bezit maakt het leven hooguit comfortabel. Je hebt evenzeer behoefte aan vriendschap, aan vertrouwen, aan vergeving, aan liefde, en ja, soms zelfs heel simpel maar in deze tijd ook bijzonder: een beetje menselijk contact. Maar de mens leeft niet van brood alleen. En als ál onze aandacht alléén maar uitgaat naar het materiële, dan groeit gestaag in ons een behoefte naar meer: meer bevrediging, meer macht, meer zelfzucht, want van wat we hebben kunnen we maar geen genoeg krijgen.  

Brood om van te leven

In het Arabisch is het woord voor ‘leven’ hetzelfde als dat voor ‘brood’, zo heb ik eens gelezen. Daarin schuilt het antwoord op dat wonderlijke brood waarvan Jezus ons deelgenoot wil maken. In het evangelie mag men ‘brood’ dan ook niet louter letterlijk opvatten, en dat is een niet ongebruikelijke beeldspraak: ‘brood’ was in Oud-Oosterse religies het beeld voor goddelijke woorden, de leer. En rabbijnen noemden de Tora (wet) ‘brood voor het echte leven’. Maar ook de joden begrepen de woorden van Jezus letterlijk, net zoals de vrouw uit Samaria dacht dat het levend water dat Jezus haar zou geven, ervoor zou zorgen dat ze niet meer elke dag naar de bron moest komen om water te putten. 

Wie alleen zichzelf zoekt en wil voeden, blijft maar honger voelen. Dus telkens als we bidden ‘geef ons heden ons dagelijks brood’ bidden we om alles wat het leven goed om te leven maakt, zowel in materiële als in geestelijke zin. En in de eucharistie worden wij uitgenodigd om in de gedaante van brood en wijn, die naar dit ‘vlees’ en ‘bloed’ verwijzen, tot eenheid met Jezus te komen.  

Communie zonder de communie

Het is een gegeven: door de corona-maatregelen zijn we al een tijd niet in staat om gezamenlijk de eucharistie te vieren en met elkaar op die manier ‘kerk’ te zijn. Zo belangrijk als de functie van het delen van brood en wijn in het sacrament van de eucharistie ook is: we moeten het voorlopig nog zonder zien te stellen. En heel eerlijk: doordat eerder al bisschoppelijke regels paal en perk stelden aan het delen in brood en wijn in de erediensten, hebben veel mensen zich ook al eerder verstoken gevoeld van dit zo belangrijke sacrament, waarin Jezus telkens opnieuw ons voedt met Zijn aanwezigheid. Nu lijkt dit virus ons af te houden van de communie, die we nu telkens via een live-uitzending van de vieringen zonder publiek kunnen volgen. Maar de communie is meer dan het delen van de hostie en de miswijn, het betekent ook: als gedoopte en gelovige mens hoor je bij Jezus en je bent uitgenodigd om Hem na te volgen, zowel in zijn omgang met zijn medemensen als in zijn omgang met God. We voeden ons dan misschien niet direct met het brood, maar Zijn woord mag ons nog steeds tot voedsel zijn. 

Het wonder schuilt misschien juist in het alledaagse, want is dat ook niet wat wij dagelijks nodig hebben om te kunnen leven? ‘Echt leven’ betekent ook ‘samen’-leven. En dat is in de huidige tijd door het coronavirus een uitdaging op zich! ‘Het nieuwe normaal’ noodzaakt ons tot afstand houden van elkaar en dat druist soms zo tegen onze natuur in. We hebben soms juist zo’n behoefte aan contact en dan is de nieuwe werkelijkheid van de 1,5 meter afstand houden een harde werkelijkheid, áls dat überhaupt al lukt. ‘Huidhonger’, zo las ik laatst. Honger naar persoonlijke erkenning en waardering, naar liefde en naar samen-zijn met anderen, naar aandacht en zinvolheid. Voor die diepere honger, die elke mens ervaart, is Jezus het antwoord: “Ik ben het échte Brood voor het échte Leven!” zegt Hij. Zoals het gewone brood de kracht is voor onze fysiek, zo wil Jezus voeding geven aan het diepere leven van ons hele bestaan.  

Nu leven we op afstand, met een maximaal aantal mensen hier en daar, maar hoe zit dat in overdrachtelijke zin? Ook al zijn we beperkt in onze mogelijkheden, is het leven niet altijd perfect zoals wij het ons hadden gedroomd, staan we voor enorme uitdagingen, voelen we ons gekwetst of misschien zelfs beschadigd: wij geloven dat een mens echt mens is door wat hij doet vanuit liefde, oprecht en authentiek, zoals Jezus deed. 

Bron van leven

Geloven in Jezus als ons voorbeeld is niet vrijblijvend. We vinden die kracht in Zijn liefde die zichzelf-geeft en anderen belangeloos dient. Deze gelovige visie leert ons dus dat al wie belangeloos liefheeft, écht leeft. We mogen blijde mensen zijn, dankbare mensen, hoopvolle mensen, levend vanuit de bron en levend vanuit de verwachting dat wij na ons leven hier op een of andere wijze ons bij Hem aan mogen sluiten, hoe dat er ook moge uitzien. Maar het betekent ook dat wij zelf als brood zijn voor de mensen om ons heen: opkomen voor de zwakkeren die onze bijval nodig hebben, delen, troosten, liefhebben, een mens zijn aan wie men het eerst denkt als de nood het hoogst is.  

Wij durven als christenen te hopen dat die overdrachtelijke tafel van brood steeds groter zal worden, tot één grote tafel waar uiteindelijk iedereen mag aanzitten, rijk én arm, blank én zwart, mijn vrienden, maar ook mijn vijanden. Dan zijn wij er nog niet. Wij zijn er zelfs lang nog niet, dat weten wij maar al te goed; de kranten staan er bol van. Maar daarin vinden we ook niet het Goede Nieuws. 

Om verder te delen

Jezus biedt ons Zijn “gebroken” Lichaam en Zijn “geschonken” Bloed, om door te geven. Het kan dus niet anders dan dat ook wij op onze beurt meer onszelf-schenkende mensen gaan worden, dat wij op onze beurt onze tijd, onze talenten, onze mogelijkheden, ons leven, voor anderen in liefde willen breken, geven en delen. Zo worden we uitgenodigd en uitgedaagd om steeds opnieuw het beste van onszelf met anderen te breken en te delen. Zoals Augustinus zei: “Christen, word wat je ontvangt!” 

Wat wij eten en wat wij drinken, wordt opgenomen in ons hele lichaam. Voedsel en drank worden één met ons lichaam. Als wij het brood eten waarvan Jezus zei: ‘dit is mijn lichaam’ en de wijn drinken waarvan Jezus zei: ‘dit is mijn bloed’, dan worden wij één met Hem. Eten en drinken zijn onontbeerlijk om te leven. Zo is die eenheid met Jezus onontbeerlijk om als gelovige ten volle te leven en in Zijn voorbeeld verder te delen.  

Hierbij de passages uit Johannes 6 die over Jezus als het brood gaan:  

  • ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Jullie zoeken mij alleen omdat jullie zo veel te eten gekregen hebben, niet omdat jullie begrijpen wat ik doe. Luister! Gewoon brood verdwijnt als je het opeet. Maar het hemelse brood geeft eeuwig leven. Doe je uiterste best om dat brood te krijgen. De Mensenzoon kan het je geven. Want God, de Vader, heeft hem die macht gegeven.’  
  • ‘Ik ben het hemelse brood dat leven geeft. Iedereen die van dat brood eet, zal eeuwig leven! Het brood dat ik zal uitdelen, is mijn eigen lichaam. Ik zal sterven om de mensen het leven te geven.’   
  • ‘Gij zoekt Mij, omdat gij met het brood dat Ik u schenk vooral de honger van uw lichaam wilt stillen, maar gij zijt er nog niet toe gekomen er een teken in te zien van Mijn voedsel voor een veel diepere honger die leeft in uw hart.’  
  • ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Jullie moeten mijn lichaam eten en mijn bloed drinken. Anders kunnen jullie het eeuwige leven niet krijgen. Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, die krijgt het eeuwige leven. Als het einde van de wereld komt, zal ik hem laten opstaan uit de dood. Mijn lichaam en mijn bloed geven het eeuwige leven. Mijn dood brengt redding. Als je dat gelooft, dan is het alsof je mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt. Dan ben ik in je, en dan hoor je voor altijd bij mij. Ik leef dankzij de Vader, de levende God, die mij gestuurd heeft. En iedereen die bij mij hoort, leeft dankzij mij. Ik ben het ware hemelse brood. Jullie voorouders aten manna, brood uit de hemel, maar zij zijn toch gestorven. Maar wie het ware hemelse brood eet, zal eeuwig leven.’ 
  • ‘Het was niet Mozes, maar mijn Vader die dat brood gaf. Luister heel goed naar mijn woorden: Mijn Vader geeft jullie het ware hemelse brood. Het brood dat God geeft, komt uit de hemel en geeft eeuwig leven aan de mensen.’  
  • ‘Ik ben het brood dat eeuwig leven geeft. Als je bij mij komt, zul je nooit meer honger hebben. Als je in mij gelooft, zul je nooit meer dorst hebben.’