Noorddammerlaan in Corona periode

Geschreven door Reinout Wibier

Onze wandeling is een dagelijks ritueel geworden. Direct na de boterham mag Boris in de draagzak en vertrekken we voor een rondje Bovenkerk. Via het Westwijkplein en Slingerduin, op weg naar de kerktoren, die altijd over ons waakt en zich niets lijkt aan te trekken van het virus. Imposant, als herinnering aan de tijd dat wij nog gewoon met zijn allen konden samenkomen. En als teken van hoop dat die tijd ook ooit weer terug zal komen.

Boris en ik wandelen langs het lege schoolplein van de Westwijzer. Waar kinderen horen te spelen, hupt nu alleen een verdwaalde kraai. Achter de ramen hangt een tekst, op elk A4’tje één grote letter: ‘Lieve kinderen, wij missen jullie’. Verder, langs het verzorgingstehuis. Twee zorgmedewerkers, ingepakt in geel en blauw plastic, drinken koffie op het balkon. Ze zien er vermoeid uit, maar ook strijdbaar.

Als we de Noorddammerlaan naderen, komt een oudere mevrouw met een rollator ons tegemoet. Zij loopt heel langzaam, de rug gebogen. Naast haar loopt een dame in een rode jas. Misschien is het haar dochter, of gewoon iemand die haar helpt veilig een ommetje te maken. Ruim voordat wij elkaar moeten passeren, steek ik over. De vrouw in de rode jas knikt mij vriendelijk toe.

‘Dank u wel,’ zegt ze.

‘Goede morgen en een fijne dag,’ antwoord ik.

De Coronacrisis heeft veel veranderd, zelfs de manier waarop wij een wandelingetje maken. Het moet angstig zijn voor die oude mevrouw. Als zij besmet raakt met het virus, loopt zij het risico daar erg ziek van te worden. Daarom let ik extra goed op. Of ik aan de kant moet voor iemand. Of er ook nog voldoende ruimte is als er plotseling iemand uit een zijstraat komt. Daarom moet Boris ook in de draagzak blijven, ook al is hij daar eigenlijk al een beetje te oud voor.

Plotseling begint Boris te roepen: ‘Ondje, ondje, die, die.’ Hij wijst en trappelt en zou het liefst uit de draagzak springen om het hondje te gaan aaien. Maar we moeten op afstand blijven. Het baasje, een wat oudere heer met zonnebril en pet, blijft even stilstaan als hij Boris ziet. Het hondje, een witte poedel, kwispelt vrolijk met zijn staartje.

‘Gaat het goed met u?’ vraag ik.

‘Het gaat,’ antwoordt de man zonder veel overtuiging. ‘Ik heb een vrouw en ik heb hem,’ zegt hij en wijst naar het springerige hondje. ‘Ik loop alleen niet meer zo makkelijk. Dat is soms lastig en naar de pedicure kan nu even niet.’

‘Dat is vervelend,’ antwoord ik. ‘Maar u en uw vrouw zijn nog wel gezond verder?’

‘Ja, dat wel’ antwoordt hij. ‘En,’ zegt hij terwijl hij naar de hemel wijst, ‘Hij ziet alles.’

Wij kijken allebei in de strakblauwe ochtendlucht. Alsof we ieder moment een engel van de Heer verwachten of een ander teken waaruit blijkt dat wij gelijk hebben.

‘Inderdaad,’ antwoord ik na een tijde. ‘Hij ziet alles.’

Boris en ik vervolgen onze weg, via het Amstelveencollege, langs de verlaten velden van hockeyvereniging AMC, de kantoren van Hewlett Packard, omgeven door een leeg parkeerterrein, en zo weer terug richting Westwijk.

Naar de kerk gaan zal nog wel een poosje onmogelijk blijven, maar ook nu wij fysiek afstand moeten houden, blijft het mogelijk elkaar te ontmoeten. Anders dan normaal, maar misschien wel juist daardoor extra waardevol. Soms is een enkel woord of gebaar genoeg om de aanwezigheid van God weer even te voelen. Het zwaaien naar de mevrouw die altijd achter het raam van haar flat op de begane grond zit. ‘Goedemorgen en bedankt,’ als je de postbode tegenkomt. Of de glimlach waarmee je elkaar passeert op het trottoir, veel ruimer dan vroeger. Een glimlach die zegt: wij zitten allemaal in hetzelfde schuitje, wij hebben elkaar nodig en samen gaan wij deze crisis ook weer te boven komen.