De tekst van de overweging van paus Franciscus bij de speciale Urbi et Orbi-zegen op 27 maart (via ‘Roderick zoekt licht‘):

‘Tegen het vallen van de avond’ (Markus 4:35). Zo begint de passage uit het Evangelie dat we zojuist hebben gehoord. Het lijkt nu al wekenlang of de avond is gevallen. Het duister is neergedaald over onze pleinen, onze straten en onze steden; het heeft zich meester gemaakt van ons leven. Het vult alles met een oorverdovende stilte en een troosteloze leegte, die alles op haar weg verlamt. Je voelt het in de lucht, je ziet het aan de gebaren, je ziet het aan hoe mensen kijken. We zijn bang en verward. Zoals de discipelen in het evangelie zijn wij ineens gegrepen door een onverwacht opgekomen razende storm. We merken dat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten. We zijn kwetsbaar en we zijn de weg kwijt, en toch zijn we allemaal heel belangrijk en nodig. We moeten allemaal samen roeien en elkaar troost bieden. In die boot zitten wij met z’n allen. Net zoals die discipelen, die met één stem spreken en angstig zeggen: “We vergaan” (vers 38). Zo merken ook wij dat we niet ieder voor zich verder kunnen, maar alleen gezamenlijk.

We kunnen onszelf makkelijk herkennen in dit verhaal. Wat moeilijker te begrijpen is, is de houding van Jezus. Terwijl de discipelen natuurlijk in paniek raken, ligt Hij aan de achtersteven, het deel van de boot dat als eerste onder zal gaan. En wat doet Hij? In alle tumult ligt Hij rustig te slapen, vertrouwend op de Vader. Het is de enige keer in het Evangelie dat we Jezus slapend zien. Als Hij gewekt wordt, kalmeert Hij de wind en de wateren en dan spreek Hij op verwijtende toon tot Zijn discipelen: ‘Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?’ (vers 40).

We proberen het te begrijpen. Waaruit bestaat het gebrek aan geloof bij de discipelen die tegenover het vertrouwen van Jezus wordt gesteld? Ze waren niet opgehouden in Hem te geloven. Ze riepen Hem aan. Maar laten we zien hoe ze dat doen: ‘Meester, kan het U schelen dat wij vergaan?’ (vers 38). “Kan het U niet schelen?”: ze denken dat Jezus niet meer om ze geeft. Een van de dingen die ons thuis het meeste pijn doet, is als iemand zegt: “Kan ik je dan niets schelen?” Dat is een zin die pijn doet en stormen in het hart veroorzaakt. Het zal Jezus ook pijn gedaan hebben. Want niemand is meer met ons begaan dan Hij. Zodra Hij aangeroepen is, redt Hij het leven van zijn ongelovige discipelen.

De storm legt onze kwetsbaarheid bloot, en de valse en overbodige zekerheden waar we onze agenda, plannen, gewoonten en prioriteiten bol van staan. Het laat zien hoe we datgene in slaap hebben laten sukkelen wat ons leven en onze gemeenschap voedt, ondersteunt en kracht geeft. De storm legt bloot hoe wij het liefst datgene wegstoppen en vergeten wat de geest van onze volkeren voedt. Hoe wij onszelf trachten te verdoven met gewoonten die ons lijken te redden, terwijl wij losgeraakt zijn van onze wortels en onze voorouders vergeten zijn, zodat wij geen weerstand meer hebben om tegenspoed het hoofd te bieden.

Met de storm vervaagt de schmink van de stereotypen die ons ego verhulden, omdat wij ons altijd druk maakten over ons imago. We zien opnieuw de saamhorigheid waar we ons niet aan kunnen onttrekken. De saamhorigheid als broeders en zusters.

‘Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?’ Heer, Uw woord treft ons vanavond. Het gaat ons allen aan. In deze wereld, die Gij meer liefhebt dan wij, zijn wij voortgeraasd. We dachten dat we sterk waren en alles konden. Op winst belust lieten we toe dat de dingen ons beheersten en de haast ons bedwelmde. We stonden niet stil bij Uw waarschuwingen. We werden niet wakker door de oorlogen en het wereldwijde onrecht, wij luisterden niet naar de schreeuw van de armen en van onze ernstig zieke planeet. We gingen onverstoorbaar door en dachten gezond te blijven in een zieke wereld. En nu, midden op de hoge zee, roepen wij U aan: “Word wakker, Heer!”.

‘Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?’ Heer, U doet een beroep op ons en een beroep op ons geloof. We moeten niet zozeer geloven dat U bestaat, maar tot U komen en op U vertrouwen. In deze Vastentijd weerklinkt Uw dringende oproep: “Bekeer je!”, “Keer met heel je hart terug tot Mij.” (Joël 2:12). U roept ons op om deze tijd van beproeving te zien als een tijd van kiezen. Dit is niet de tijd van Uw oordeel, maar van ons oordeel. De tijd om te kiezen wat belangrijk is en wat voorbij zal gaan. Om onderscheid te maken wat noodzakelijk is en wat niet. Het is een tijd om ons leven weer naar U en onze medemensen te richten, God. Daarbij kunnen we een voorbeeld nemen aan veel mensen die ondanks hun angst hun leven gegeven hebben. Dat is de kracht van de Geest die wordt uitgestort en die zich uit in moedige en genereuze toewijding. Het is het leven van de Geest dat kan verlossen, verbeteren en tonen hoe onze levens verweven zijn met en ondersteund worden door gewone mensen die meestal vergeten worden die niet in de krantenkoppen staan of op de catwalk in weer een nieuwe tv-show. Maar zij zijn degenen die nu de doorslag geven bij alles wat er gebeurt. Artsen, verpleegkundigen, supermarktmedewerkers, schoonmakers, ziekenverzorgers, chauffeurs, wetshandhavers, vrijwilligers, geestelijken en nog vele meer, die begrepen hebben dat niemand het in z’n eentje kan doen. Voor het lijden, waarin de ware ontwikkeling van onze volkeren te zien is, ontdekken en ervaren we het priesterlijke gebed van Jezus: “Opdat zij allen één mogen zijn.’ (Johannes 17, 21). Hoeveel mensen oefenen niet elke dag geduld, en leven in hoop en zorgen dat ze geen paniek zaaien, maar nemen hun verantwoordelijkheid. Vele vaders, moeders, opa’s, oma’s en leraren tonen aan onze kinderen, met kleine, dagelijkse gebaren hoe ze een crisis het hoofd kunnen bieden en moeten doorstaan door hun gewoonten aan te passen, hun blik op te heffen en te bidden. Vele mensen bidden en bieden hulp aan voor het welzijn van iedereen. Het gebed en stille behulpzaamheid zijn de wapens waarmee we overwinnen.

‘Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?’ Het begin van geloof is weten dat je redding nodig hebt. We zijn niet zelfvoorzienend; in ons eentje verdrinken we: we hebben de Heer nodig, net zoals de schippers vroeger de sterren nodig hadden. Laten we Jezus uitnodigen in de bootjes van onze levens. Laten we Hem onze angsten geven, zodat Hij ze kan overwinnen. Net als Zijn discipelen merken we dan dat we met Hem aan boord niet verdrinken. Want dat is de kracht van de Heer: Alles wat ons overkomt ten goede keren, ook de slechte dingen. Hij brengt onze stormen tot rust, want met God sterft het leven nooit.

De Heer daagt ons uit en nodigt ons uit om te midden van onze storm de solidariteit en de hoop te laten opbloeien die ons tot steun kunnen zijn in tijden waarin alles mis lijkt te gaan. De Heer stimuleert ons om ons geloof in Pasen te doen ontwaken en herleven. We hebben een anker: door Zijn kruis zijn we gered. We hebben een roer: door Zijn kruis zijn we verlost. We hebben hoop: door Zijn kruis zijn we genezen en worden we omarmd, zodat niets en niemand ons kan scheiden van Zijn verlossende liefde. In ons isolement lijden we onder het ontbreken van affectie en ontmoetingen en ervaren we het gebrek aan veel dingen. Laten we nogmaals luisteren naar de verkondiging die ons redt: Hij is opgestaan en leeft in ons midden. De Heer daagt ons vanaf Zijn kruis uit om ons leven terug te vinden dat ons te wacht te kijken naar mensen die onze tijd opeisen om de genade die in ons leeft te versterken, te erkennen en te stimuleren. Laten we zorgen dat het vlammetje van de hoop (zie Jesaja 42: 3) die nooit ziek wordt, niet uitgaat. En laten we de hoop opnieuw laten oplaaien.

Zijn kruis omarmen betekent de moed vinden om alle tegenslagen van de huidige tijd te omarmen, en even onze zucht naar almacht en bezit te vergeten om ruimte te geven aan de creativiteit die alleen de Geest kan opwekken. Het betekent de moed vinden om ruimten te creëren waar iedereen zich welkom voelt en om nieuwe vormen toe te laten van gastvrijheid, broederschap en solidariteit. Door Zijn kruis zijn we gered, zodat we weer hoop krijgen. Laat het kruis alle manieren steunen en versterken die ons kunnen helpen om onszelf en anderen te redden. De Heer omarmen om de hoop te omarmen. Dat is de kracht van het geloof, dat ons bevrijdt van angst en ons hoop biedt.

“Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?” Dierbare broeders en zusters, vanaf deze plek die vertelt van het rotsvaste vertrouwen van Petrus, wil ik u vanavond allen toevertrouwen aan de Heer, door tussenkomst van de heilige maagd, heil des volks, Sterre der zee in de storm. Moge vanaf deze zuilenrij die Rome en de wereld omarmt. Gods zegen als een troostende omarming over u dalen. Heer, zegen de wereld, geef de lichamen gezondheid en de harten troost U vraagt ons om niet bang te zijn, maar ons geloof is zwak en we zijn bang. Heer, laat ons niet in de greep van de storm blijven. Zeg ons nog een keer: ‘Wees niet bang’ (Matheus 28: 5). En laat ons, met Petrus zeggen: ‘Wij schuiven alle zorgen op U af, want U hebt zorg voor ons.’ (1 Petrus 5: 7).