Verhalenvertelster Dorothée weet de bekende Bijbelse gebeurtenis van Pinksteren aan de hand van een recente persoonlijke gebeurtenis in een ander licht te zetten. Zo krijgt die oude ervaring door de nieuwe ervaring ineens iets menselijks en begrijpelijks, en een hele actuele context. Dorothée heeft het voor ons opgetekend om verder te delen…

Overweging bij Handelingen 2, 1 – 13

Het moet een angstaanjagende ervaring zijn geweest op die – voor de tijd van het jaar ongewoon warme – zondagochtend in Jeruzalem, ruim 20 eeuwen geleden. Het ene moment zaten ze nog rustig bij elkaar, de vrienden en vriendinnen van Jezus. Sommigen in gedachten, herinneringen en gebeden verzonken, anderen druk in gesprek met elkaar over de gebeurtenissen van afgelopen tijd en de wonderlijke wereld waarin ze plotseling terechtgekomen waren.

En toen stak er plotseling uit het niets een hevige wind op; een wind die iets vreemds deed met hun spraakvermogen. Ze kwamen opeens niet meer uit hun woorden en voordat ze het goed en wel beseften, stonden ze buiten en spraken ze in een taal die ze zelf niet eens herkenden. “Ze zijn zich aan de zoete wijn te buiten gegaan…”, zeiden sommige omstanders en hoewel de vrienden geen druppel hadden gedronken voelden ze zich inderdaad alsof ze zwaar onder invloed waren, maar niet van alcohol, maar van iets of iemand dat iets Geestverruimends deed met hun hoofd. De zon scheen uitbundig, alles leek nog hetzelfde, maar zij wisten dat hun wereld nooit meer hetzelfde zou zijn. De wereld die toch al compleet veranderd was door een heel gewone man met een heel gewone naam. Die man die het leven en zelfs de dood compleet op z’n kop had gezet. Daar kon een soort spraakstoornis ook nog wel bij.

Het was een angstaanjagende ervaring op die – voor de tijd van het jaar ongewoon warme zonnige – zondagochtend van de 19e april 2020 in Zwolle. Het ene moment zat ik nog rustig met mijn man aan de koffie en wilde hem iets vertellen over de bloemzaadjes die ik zou gaan zaaien in de tuin – toen er plotseling uit het niets een vreemd soort windstilte optrad in mijn hoofd, die iets vreemds deed met mijn spraakvermogen. Ik kwam opeens niet meer uit mijn woorden, en voordat ik het goed en wel besefte zat ik in het ziekenhuis tegenover een jonge vrouwelijke arts, die van top tot teen in beschermende kleding was gestoken en mij met aandachtige ogen observeerde. “Heeft u gedronken?” vroeg ze, waarop ik iets bijdehands wilde zeggen, maar dat ging niet want ik sprak inderdaad alsof ik ladderzat was. Op de hersenscan bleek dat ik getroffen was door een TIA, die mijn spraakcentrum had geraakt. Ik was even compleet in paniek. O God, mijn spraakcentrum! Ik kon wel janken en heb dat ook gedaan.

Toen ik na een paar uur het ziekenhuis mocht verlaten, scheen de zon nog steeds uitbundig, maar de wereld – toch al compleet veranderd door een virus met een veel te mooie naam – kwam me nog meer vervreemd voor. Daar kon een spraakstoornis ook nog wel bij.

We weten het niet wat Jezus’ vrienden hebben gedacht en ervaren, maar ongetwijfeld moeten ze paniek hebben gevoeld. Wat gebeurt er met ons, met mij? Volgens de tekst uit Handelingen spraken ze opeens alle talen van de wereld, maar de vraag is of je dit letterlijk moet opvatten.
Ik denk eerder dat de Geest hen het talent schonk om de boodschap van Jezus duidelijk te maken aan iedereen die daarvoor openstond. In de universele taal van geloof, hoop en liefde die in staat is om bergen te verzetten. Met gebaren van mededogen en barmhartigheid. Met een glimlach, die zonder woorden zegt: ‘Ik ben er voor jou’. Maar voor alles denk ik dat ze die ochtend de moed kregen om dóór te gaan, wat er ook zou gebeuren. En dat deden ze zó overtuigend dat wij nu – ruim twintig eeuwen na dato – nog steeds Pinksteren vieren, waarbij we de overwinning van de Geest op de angst vieren en Haar gave om mensen blijvend te inspireren om het grote Verhaal door te geven. Zelfs in een tijd waarin een virus met een veel te mooie naam de wereldorde heeft overgenomen. Ook nu de kerken leeg zijn en we zelf woorden moeten geven aan het Grote Verhaal.

Ik schrijf deze overweging op maandag 11 mei. Het is ruim drie weken geleden dat een TIA mijn wereld op z’n kop zette. Eén dag was ik met stomheid geslagen, een week lang kon ik moeilijk uit mijn woorden komen en toen herstelde – Godzijdank- mijn spraakvermogen zich weer spontaan. Ik heb zelfs alweer een uitvaart geleid en dat ging vlekkeloos. Ik ben er weer, maar ik zal nooit meer dezelfde zijn. Want meer dan ooit besef ik de broosheid van ons bestaan. Een onzichtbaar virus, een piepklein propje in een bloedbaan, een ontsporende cel… en het leven en de wereld staan van het ene op het andere moment volledig op z’n kop.
Maar ik geloof ook dat we het niet, nooit alleen hoeven doen, want Hij-Die-Is.. Zij de WEZER zal er altijd zijn. En geïnspireerd door die Geest zullen we steeds weer nieuwe woorden leren geven aan het grote Verhaal.

Dorothée van Leer