Overweging zondag 4 oktober 2020

  • door deken-pastoor Eugène Jongerden

Het zonnelied blijft een prachtige lofzang op de Schepping. Met grote eerbied sprak Franciscus tegen de Schepping en de Schepper. Hij, Franciscus, die zich zelf als gelijkwaardig zag ten opzichte van ook onder andere de dieren. Het is bekend van hem dat hij ook sprak met de dieren en de dieren hem ook begrepen. Door ook de Schepping te verpersonaliseren, zuster maan, broeder zon, ontstaat er een wederzijdse relatie. Door dieren een naam te geven is het niet zomaar een hond of een kat maar is het een dier geworden die voor jou als verzorger uniek is. En daar wil je voor zorgen.

Ook in de beide lezingen gaat het vandaag over de natuur, de Schepping en het gedrag van mensen hierin. Heel in het bijzonder gaat het over de wijngaard.

Zoals ten tijde van Jesaja zijn wijngaarden in Jezus’ tijd goed gekend. Ze zijn vaak eigendom van rijke buitenlanders die beheerders en werkvolk aanstellen om het dagelijks onderhoud te doen en de opbrengst van de oogst over te maken aan de eigenaar. Dat systeem vroeg bijna om sociale conflicten tussen (afwezige) eigenaars en werknemers. Vaak werden de gezanten van de eigenaars, of de eigenaar zelf, uitgeschakeld en de wijngaard ging dan wettelijk over op de werknemers.

Wanneer Jezus het Jesaja-lied over de wijngaard gebruikt, past Hij het toe op de concrete toestand in Zijn dagen: het land wordt slecht bestuurd door de Romeinse bezetter en door de Joodse religieuze gezaghebbers, die zich helemaal niet als herders, maar als heersers gedragen, en het volk klein en onmondig houden en het uitbuiten. Met de parabel klaagt Jezus aan dat zij zich het wijngaarderfgoed dat God hen toevertrouwd heeft, toegeëigend hebben tot eigen voordeel: de vruchten bestemmen ze enkel voor zichzelf. In Jezus’ mond wordt het Jesaja-lied een striemende aanklacht die Hem zeer kwalijk genomen zal worden: Hij zal het uiteindelijk bekopen met de dood.

Wanneer wij deze morgen in het evangelie de parabel van de wijngaard horen, is het dan nu niet aan ons om deze parabel toe te passen in onze tijd? Is het vandaag de dag beter gesteld met het beheer van Gods wijngaard? Hoe hebben de verantwoordelijken het ervan afgebracht? Geldt voor ons ook het verwijt dat wij de Gods dienst, de dienst aan God, al of niet bewust, verminkt hebben tot eigen-dienst?

Wat staat ons vandaag te doen?

De goed verzorgde wijngaard is de wereld van God met liefde aan ons, mensen, daar mogen wij dankbaar voor zijn. God heeft dit alles ons toevertrouwd om deze goed te beheren en er iets moois van te maken. Dat geld dan voor de hele schepping, dus ook de levende dieren, de levende schepping. Met eerbied en respect omgaan met mens, dier en schepping. Al onze talenten, het beste van onszelf, mogen wij inzetten om de wereld te maken tot een paradijs.

Maar hoe zetten wij ons daar voor in?

Ben ik een God dienende of eerder een eigen belang dienende? Ben ik bezorgd om het klimaat, om de opwarming van de aarde, om het misbruik van de energiebronnen? Ben ik een toegankelijk, barmhartig en mededogend mens? Reik ik hoop en vreugde aan? Hoe sta ik ten opzichte van de dieren in het veld en mijn eigen huisdier?

Genoeg vragen om mee te beginnen dat wij op voorspraak van de H. Franciscus, daar een helder antwoord voor ons gedrag op krijgen en met eerbied en respect omgaan met de Schepping.

Amen.

Het Zonnelied van St. Franciscus

Originele tekstVertaling (Geschriften van Franciscus, 2006)
Altissimu onnipotente bon signore,tue so le laude, la gloria e l’honore et onne benedictione.Ad te solo, altissimo, se konfano,et nullu homo ene dignu te mentovare.Laudato sie, mi signore, cun tucte le tue creature,spetialmente messor lo frate sole,lo qual’è iorno, et allumini noi per loi.Et ellu è bellu e radiante cun grande splendore,de te, altissimo, porta significatione.Laudato si, mi signore, per sora luna e le stelle,in celu l’ài formate clarite et pretiose et belle.Laudato si, mi signore, per frate vento,et per aere et nubilo et sereno et onne tempo,per lo quale a le tue creature dai sustentamento.Laudato si, mi signore, per sor aqua,la quale è multo utile et humile et pretiosa et casta.Laudato si, mi signore, per frate focu,per lo quale enn’allumini la nocte,ed ello è bello et iocundo et robustoso et forte.Laudato si, mi signore, per sora nostra matre terra,la quale ne sustenta et governa,et produce diversi fructi con coloriti flori et herba.Laudato si, mi signore, per quelli ke perdonanoper lo tuo amore,et sostengo infirmitate et tribulatione.Beati quelli ke ’l sosterrano in pace,ka da te, altissimo, sirano incoronati.Laudato si, mi signore, per sora nostra morte corporale,da la quale nullu homo vivente pò skappare.Guai a quelli, ke morrano ne le peccata mortali:beati quelli ke trovarà ne le tue sanctissime voluntati,ka la morte secunda nol farrà male.Laudate et benedicete mi signore,et rengratiate et serviateli cun grande humilitate.Allerhoogste, almachtige, goede Heer,van U zijn de lof, de roem, de eer en alle zegen.U alleen, Allerhoogste, komen zij toeen geen mens is waardig uw naam te noemen.Wees geprezen, mijn Heer met al uw schepselen,vooral door mijnheer broeder zon,die de dag is en door wie Gij ons verlicht.En hij is mooi en straalt met grote pracht;van U, Allerhoogste, draagt hij het teken.Wees geprezen, mijn Heer, door zuster maan en de sterren.Aan de hemel hebt Gij ze gevormd, helder en kostbaar en mooi.Wees geprezen, mijn Heer, door broeder winden door de lucht, bewolkt of helder, en ieder jaargetijde,door wie Gij het leven van uw schepselen onderhoudt.Wees geprezen, mijn Heer, door zuster water,die heel nuttig is en nederig, kostbaar en kuis.Wees geprezen, mijn Heer, door broeder vuur,door wie Gij voor ons de nacht verlicht;en hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster, moeder aarde,die ons voedt en leidt,en allerlei vruchten voortbrengt, bonte bloemen en planten.Wees geprezen, mijn Heer, door wie omwille van uw liefdevergiffenis schenken, en ziekte en verdrukking dragen.Gelukkig wie dat dragen in vrede,want door U, Allerhoogste, worden zij gekroond.Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster de lichamelijke dood,die geen levend mens kan ontvluchten.Wee hen die in doodzonde sterven;gelukkig wie zij in uw allerheiligste wil vindt,want de tweede dood zal hun geen kwaad doen.Prijs en zegen mijn Heer,en dank en dien Hem in grote nederigheid.[1]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *