Beklim de kerktoren van de Urbanus

Op zaterdag 10 juni heeft u tussen 11.00 uur en 16.00 uur de gelegenheid om de kerktoren van de Urbanuskerk te beklimmen. Vorig jaar september was het de laatste keer, en nu is het wederom mogelijk. Langs smalle en steile trappen op weg naar boven komt u langs het torenuurwerk, een klein “Torenmuseum”, en de klokkenstoel. Het hoogste punt dat in de kerktoren wordt aangedaan is de plek ter hoogte van de wijzerplaten van de klok. “Beklim de kerktoren van de Urbanus” verder lezen

Vier de vrijheid op 5 mei

De Urbanuskerk viert de vrijheid op 5 mei!

 

De voorzitter van het Amsterdams 4 & 5 comité, Job Cohen, doet een oproep aan de kerken in Amsterdam om op Bevrijdingsdag 5 mei, om 18.00 uur de klokken te luiden. Uit de brief van voorzitter Job Cohen van het Amsterdams 4 en 5 mei comité aan de Amsterdamse kerken:

‘Namens het Amsterdams 4 en 5 mei comité vraag ik u op 5 mei de klokken te luiden, en met dit schrijven lichten wij dit verzoek graag toe. Op 5 mei 2016 kwamen ongeveer tienduizend mensen samen op honderd Amsterdamse locaties en deelden kleine en grote verhalen tijdens een Vrijheidsmaaltijd. Ook op 5 mei 2017 zijn er Vrijheidsmaaltijden, waarvoor al tachtig organisaties zich hebben aangemeld. Het thema in 2017 is ´een nieuwe tijd´, geïnspireerd op een drietal verhalen: “Vier de vrijheid op 5 mei” verder lezen

Het rozenhoedje bidden in de meimaand

Meimaand- Mariamaand

In de Urbanuskerk van Bovenkerk bestaat het gebruik om in de meimaand en ook in de oktobermaand een zogeheten Maria-lof te houden. Dit vindt plaats op alle maandagavonden van 19.00 tot 19.45 uur in de maand mei. Daarbij word ‘in een meditatieve geest’ het rozenhoedje gebeden als een bijbels geïnspireerd en christologische georiënteerd gebed. Ook worden korte Bijbelteksten met betrekking tot de geloofsmysterie gelezen en momenten van stille aanbidding in acht genomen.

Het rozenhoedje

De rozenkrans is een gebedssnoer met oorspronkelijk vijftien maal tien kralen, telkens afgewisseld door een grotere kraal. Aan dit snoer werd ter ere van Maria bij elke kraal een weesgegroet, dus in totaal 150 weesgegroeten, gebeden. De grotere kraal na elke 15 kleine kralen betrof het Onze Vader. De tegenwoordig gebruikelijke en in de volksmond genoemde ‘rozenkrans’ is feitelijk het zogeheten ‘rozenhoedje‘. De naam is ontleend aan het hoedje van rozen dat als een kroontje of onder een kroontje vaak bij Maria en andere heilige maagden werd afgebeeld. Dit ‘rozenhoedje’ is een derde deel van de eigenlijke rozenkrans. Het snoer telt vijfmaal tien kralen met daartussen vijf grotere. Met dit snoer worden niet 150 weesgegroetjes gebeden, maar ‘slechts’ vijftig.

De oorsprong van het rozenkransgebed

Reeds in de Middeleeuwen werd de rozenkrans gebeden in kloosters. Het was met name de H. Dominicus van Caleruega (1170-1221), stichter van de Dominicanen, die dit gebed bevorderde, nadat Maria aan hem verschenen was. In de 14de en de 15de eeuw raakte het rozenkransgebed ook buiten de kloosters bij leken bekend. Met name door toedoen van de dominicanen, de jezuïeten en de rozenkransbroederschappen. De meest bekende werd in 1475 te Keulen opgericht en vandaar over de hele wereld verspreid.

De meimaand is de maand, waarin volgens een algemeen gebruik in kerken en gezinnen de christenen met een grote liefde aan de Moeder Gods Maria de hulde brengen van hun gebed en verering. Het is ook de maand, waarin de gaven van goddelijke barmhartigheid ons rijker en overvloediger toestromen vanaf de troon van onze Moeder. Daarom geeft dit vroom gewoonte van de viering van de meimaand, die zoveel eer brengt aan de allerheiligste Maagd en die voor het christenvolk zo rijk is aan geestelijke vruchten, ons een gevoel van geluk en troost. Omdat Maria immers terecht beschouwd kan worden als de weg, die ons naar tot Christus brengt, is elke ontmoeting met haar uit zichzelf ook een ontmoeting met Christus. Want wat anders doen wij in ons voortdurend gebed tot Maria dan het zoeken Christus, onze Verlosser, in haar armen, in haar, door haar en met haar. Temidden van de angsten en gevaren van deze wereld moeten de mensen vanuit een innerlijke behoefte gaan tot Hem als de haven van het heil en als de bovenaardse bron van het leven. (Paus Paulus VI, Encycliek Mense maio, 29 april 1965, nr. 1-2).